‘Geen bloedwraak’

Awraham Meijers (beeld: FB)
Awraham Meijers (beeld: FB)

Het was in de jaren tachtig (‘van de vorige eeuw’, zegt men er tegenwoordig braaf bij) dat we in onze Renault 16TX naar Israël reden. Via Duitsland, Oostenrijk en Joegoslavië naar Griekenland, waar we in Piraeus inscheepten met bestemming Haifa. Deze enerverende reis had ik een paar jaar eerder gemaakt met een vriend die – zo bleek tijdens deze tocht – een uitermate saaie reisgenoot was. Maar de reis met mijn vriendin (inmiddels mijn vrouw) was een denderend feest. Zelfs de tientallen autowrakken langs, en soms op, de beruchte Dodenweg tussen de toen nog Joegoslavische steden Zagreb en Niš konden de pret niet versjteren. Wij waren jong en dus onkwetsbaar.
In Israël familie en vrienden bezocht. Leuk. Echt waar. Maar nóg leuker waren de dagen dat vriendin en ik rondzwierven in mijn oude woonplaats Tel Aviv, die voor altijd my kind of town blijft.

Vervolgens crosten we kriskras het land door, van de Banjas aan de voet van de Golan naar de Sinaï-woestijn, waar in Nuweiba – een oase aan de Rode Zee – hippies woonden. Een internationaal gezelschap dat in de schaduw van (dadel)palmen rondscharrelde en nadacht over het leven. Het was puur toeval dat wij tussen deze kleurrijke lieden belandden. Lieverds, die de wereld voorgoed – althans voor enkele maanden – de rug hadden toegekeerd en onder het genot van een jointje naar de zee tuurden en naar kamelen die er rondstruinden. Waarna ze een vers jointje opstaken en de liefde met elkaar bedreven, of zoiets. Na nog een vers jointje slurpten ze zwarte thee, omdat dit ‘zo gezond’ is. Als de zon onder ging en een jointje was opgestoken, werd er gedanst op ‘War of the Worlds’ (van Jeff Wayne). Muziek die me nog steeds doet denken aan de week tussen die goedaardige lui aan de Rode Zee. Er werd tot zonsopgang gefeest. De Sinaï rook naar hasj.

Een merkwaardige man was Nir, een Israëli die aan zijn onderkomen een bord had bevestigd waarop stond: ‘Ik heet Nir en kom uit Holon. Ik zweer dat ik niet meer zal spreken tot er vrede is met de Palestijnen en buurlanden van Israël. Shalom!’ Nou, die Nir, die zich in gebarentaal uitte, had met zijn mysterieuze aanwezigheid in elk geval één ding bereikt: de meiden hingen aan zijn gesloten lippen en vochten – bij wijze van spreken – om zijn aandacht. Dat vond Nir zeer opwindend.

Aan de rand van de oase enkele schamele hutjes, waarin beroepsvissers zo’n vijf dagen per week bivakkeerden. Bedoeïenen, behorend tot een stam die verderop aan de voet van de heuvels leefde. Tot die groep behoorde ook een Rotterdammer. Hij was bevriend met hun sjeik en was door deze zo’n beetje als zoon geadopteerd. Via hem werden wij uitgenodigd thee te drinken. Met een visser spraken we af dat deze de volgende ochtend verse vis voor onze tent zou leggen. We gaven hem wat geld en na nog een kom mierzoete thee gingen we als vrienden uit elkaar.

Die volgende ochtend géén vissen en géén vissers. Wel stond er een enorme tent met daar voor drie palen met aan elk een vlag die ‘halfstok’ hing. En er stonden zes Mercedessen van het kaliber stretch auto. De Rotterdammer vertelde dat een van de vissers een dag eerder naar huis was gegaan, waar hij zijn vrouw betrapte met een andere man. De echtgenoot had zijn rivaal per omgaande gedood. De gealarmeerde Israëlische politie had de overspelige vrouw – voor haar eigen veiligheid! – gearresteerd en naar elders ‘verhuisd’. De bloedwraak zou losbarsten. Ware het niet dat in die grote tent de sjeiks van de betrokken stammen onderhandelden. In plaats van bloedwraak was er de mogelijkheid van financiële genoegdoening. Vlag halfstok: er wordt onderhandeld. Vlag in top: we zijn uit de problemen. Vlag onderaan de paal: de onderhandelingen zijn mislukt. Slijp jullie messen! 
Een paar uur later wapperden de vlaggen triomfantelijk in de hoogste stand.

Categorie:

Home » Columns en opinie » ‘Geen bloedwraak’