Van lintjesregen in de lintjesdrup – column David Barnouw
Onlangs weigerde PVV-minister Marjolein Faber van Migratie en Asiel om vier lintjes toe te kennen aan vier medewerkers van het Centraal Orgaan orgaan Asielzoekers (COA). Het leverde ophef en discussie op, maar de vier kregen hun lintjes toch. Vroeger was er ook al veel gedoe om lintjes, betoogt columnist David Barnouw.
Elk jaar als de lintjesregen plaatsvond, spelde mijn moeder de lijst van gelukkigen in de plaatselijke krant. Als ze daar iemand ontwaarde, die volgens haar niet-lintjeswaardig was, meldde ze dat mét de opmerking dat mijn vader hoognodig aan de beurt was. Het is er nooit van gekomen, maar het interesseerde hem nauwelijks.
‘Geen laag lintje’
Maar het ene lintje is het andere lintje niet. Bij een van de vele directeuren die ik bij het NIOD versleten heb, lag het heel gevoelig. Hij zou een lintje krijgen bij zijn pensioen – dat was vroeger gebruikelijk – maar de waarschijnlijke hoogte van de onderscheiding zinde hem niet. Hij wilde in elk geval geen ‘lager’ lintje dan een van zijn ondergeschikten, die al geridderd was, want dat vond hij niet passend.
De voorzitter van het bestuur riep mij en een collega bij zich om deze hachelijke zaak te bespreken. Wij namen de levensloop door van de directeur en toen de voorzitter vroeg of hij wel eens in een staatscommissie had gezeten, luidde ons antwoord negatief. Onze voorzitter, een schrandere jurist, concludeerde dat er dus geen hogere rang in zat.
De ‘versierselen’ van het lintje blijven eigendom van de staat en moeten na overlijden geretourneerd worden. Dat is waarschijnlijk om een zwarte handel in lintjes te voorkomen, maar ik geloof niet dat de politie langskomt na het verscheiden van de geridderde.
De Geer
Na de oorlog werden de lintjes ook onderwerp van de zogenaamde zuivering, want foute Nederlanders raakten ook hun koninklijke onderscheiding kwijt. Het waren er minder dan honderd, maar het zal hard zijn aangekomen, bijvoorbeeld bij de in ongenade gevallen oud-minister-president Dirk Jan de Geer. Ook vier oud-KNIL-militairen raakten hun Militaire Willemsorde kwijt.
Na de oorlog zal het niet, of nauwelijks, zijn voorgekomen dat gestrafte politieke delinquenten later een lintje kregen, maar hoe zat het met de ‘lichte’ gevallen? Tot het eind van de vorige eeuw was het gebruikelijk dat hoogleraren bij hun afscheid geridderd werden. Er was na de oorlog één maar: als de betrokken hoogleraar in het voorjaar van 1943 als student de zogenaamde loyaliteitsverklaring tegenover de Duitsers had getekend, werd hij niet lintjeswaardig bevonden.
Er was wel een probleem, omdat niet van alle universiteiten de ‘tekenaarslijsten’ bewaard gebleven waren, dus de ene tekenaar kon bij zijn afscheid wel in het Oranjezonnetje worden gezet en de andere tekenaar knarsetandend niet. Een aparte categorie vormden de ‘verzetslintjes’. In tegenstelling tot landen als Frankrijk en België werden er geen aparte lintjes voor het verzet ontworpen, want daar was het verzet tegen. Ex-militairen die in verzet waren gekomen, kregen wel lintjes, want dat waren militairen nu eenmaal gewend.
Verzetskruis
Er kwam wel een Verzetskruis 1940-1945, op 3 mei 1946 vastgesteld en het werd 93 keer postuum verleend en één keer aan een nog levende oud-verzetsstrijder – maar hij was wel blind. Een merkwaardige uitreiking van dit Verzetskruis was die aan de ‘onbekende Joodse soldaat die in het Getto van Warschau zijn leven gaf voor de vrijheid van alle volkeren.’
Eind 1980 werd het Verzetsherdenkingskruis ingesteld, zodat ex-verzetsmensen toch geëerd konden worden. Van de meer dan 18.000 aanvragen werden er 15.300 toegekend en helaas komt er niemand meer voor in aanmerking.
Deze column is mede mogelijk gemaakt door Stichting Maror.
Waardeert u dit artikel?
Doneer hier dan een klein bedrag. Jonet.nl is een journalistiek platform dat zonder giften niet kan bestaan. Wij danken u bij voorbaat.
Wil je meer informatie of een hoger bedrag doneren? Ga naar jonet.nl/doneren








