Peter Hujar’s Day: monoloog uit vergaan Joods New York
Op een decemberdag in 1974 zit fotograaf Peter Hujar op de bank van zijn vriendin Linda Rosenkrantz in de New Yorkse wijk SoHo en praat. Over de metrorit, de afgewezen fotoklus, het geld dat er niet is, de vrienden die langskomen, de seks met jongens. Rosenkrantz neemt het gesprek op voor een boekproject over hoe kunstenaars hun dagen doorbrengen. Maar de band raakte zoek en het project raakte in vergetelheid. Het transcript dook decennia later wel ineens op. Regisseur Ira Sachs (Passages, Love Is Strange) heeft er nu een film van gemaakt die weinig meer wil zijn dan het gesprek zelf, bijna woord voor woord nagespeeld, in de tijd die het ook werkelijk in beslag nam: 76 minuten, één appartement, twee mensen.
Ben Whishaw speelt Hujar als iemand die zijn eigen bestaan hardop moet vertellen om te geloven dat het heeft plaatsgevonden – onderbrekend, zichzelf corrigerend, de sigaret zelden ver van zijn hand. Het is acteerwerk dat nauwelijks als acteren voelt: bijna een monoloog, maar een die zich voordoet als geheugen in plaats van tekst, opgebouwd uit aarzelingen en zijsprongen. Rebecca Hall is degene die luistert, doorvraagt en de stiltes vult, ofwel de motor achter een gesprek dat zonder haar zou stokken.
Nauwkeurig kijken
Wie in deze film een portret van een Joodse gemeenschap zoekt, moet nauwkeurig kijken, want Hujar zelf was dat niet: hij groeide op bij zijn Oekraïense grootouders, sprak tot zijn vijfde uitsluitend Oekraïens, en vestigde zich later midden in wat ooit de Yiddish Theatre District van de Lower East Side was – een buurt gebouwd door Joodse immigranten, waarin hij als buitenstaander zijn plek zocht.

Het Jodendom is echter wel sterk aanwezig in de lagen eromheen. Rosenkrantz komt uit een Joods gezin uit de Bronx, en haar drang om het leven van een ander tot in het kleinste detail vast te leggen – die opsommingsdrift, die wil om te getuigen – voelt verwant aan een Joods-literaire traditie van herinnering als vorm. En de namen die in Hujars monoloog voorbijkomen, van Susan Sontag tot Allen Ginsberg, horen bij diezelfde Joods-intellectuele diaspora in New York. Het is daarmee indirect een portret van een Joodse gemeenschap in een ooit zo levendige Joodse buurt, verteld door een Joodse schrijfster, over een niet-Joodse fotograaf die er zijn plek probeerde te vinden.
Beeld
Ook achter de camera zit een Joodse blik. Filmmaker Ira Sachs groeide op in een welgestelde Joodse familie in Memphis – naar eigen zeggen een van de weinige openlijk homoseksuele Joodse filmmakers die de stad heeft voortgebracht – voor hij naar New York verhuisde, midden in de aidscrisis, waar hij zich aansloot bij ACT UP, een invloedrijke gay activistengroep.

Hujar was voor hem toen al geen onbekende naam: in zijn korte film Last Address (2009), een verstild eerbetoon aan een generatie New Yorkse kunstenaars die kort erna aan aids zouden overlijden, nam hij ook Hujars laatste adres op. Peter Hujar’s Day voelt daardoor niet als toevallige belangstelling, maar als een cirkel die zich sluit: zestien jaar na die woordloze eerbetoon geeft Sachs Hujar alsnog een stem.
Mooie melancholie
Sachs weigert elke biopic-conventie: geen reconstructie, geen flashbacks, geen expliciete inkadering van zijn dood aan aids-gerelateerde complicaties in 1987, amper dertien jaar na dit gesprek. Die kennis hangt wel over elke scène – je luistert naar een man die niet weet dat hij wordt bekeken door een publiek dat zijn einde al kent -en dat geeft de film een mooie melancholie. Wie zich hieraan overgeeft, wordt beloond met een intiem en oprecht ontroerend portret van een man en zijn milieu.

Waardeert u dit artikel?
Doneer hier dan een klein bedrag. Jonet.nl is een journalistiek platform dat zonder giften niet kan bestaan. Wij danken u bij voorbaat.
Wil je meer informatie of een hoger bedrag doneren? Ga naar jonet.nl/doneren






