Een confrontatie – gastcolumn Ruben Vis

Ruben Vis (beeld: R. Vis)

Burgemeester Femke Halsema (GroenLinks) van Amsterdam heeft met een lange brief aan de gemeenteraad geprobeerd uit te leggen waarom ze in haar ogen op zondag 10 maart goed heeft gehandeld. Maar nee, ‘een herdenking’ was het niet, vond ze. En dus moest ze op het moment dat het Nationaal Holocaustmuseum (NHM) werd geopend, ruimte bieden aan mensen die kwamen om te protesteren, op hoor- en zichtafstand, concludeert Ruben Vis in een gastcolumn.

Wat we zien na het echec van zondag 10 maart is dat er twee perspectieven zijn over wat één gebeurtenis is geweest. Het ene perspectief wordt vertegenwoordigd door de gemeente Amsterdam, ‘de driehoek’ – burgemeester, officier van justitie en politiechef – en het Joods Cultureel Kwartier (JCK): ‘we hebben het hier over de opening van een museum en natuurlijk zijn we ons ervan bewust dat het een museum is over de Sjoa’. Daar sijpelt ook nog in door dat het museum een educatieve taak heeft, dat er een lijn wordt getrokken naar het heden, naar de vraag wat de bezoeker zou doen.

‘Wrang’

Hier fietst de aanwezigheid van de president van Israël nog eens doorheen. Yitzhak Herzog was uitgenodigd, maanden voordat de terroristen van Hamas op 7 oktober de aanval openden en dood en verderf zaaiden; met verkrachtingen en gijzelingen. Het JCK slingerde de stelling de wereld in dat het ‘wrang’ is dat tijdens de oorlog in Israël en Gaza het NHM wordt geopend, om er meteen aan toe te voegen: ‘maar wij verwachten een waardige ceremonie die recht zal doen aan het grote nationale en internationale belang van ons museum’.

Wat er nu precies ‘wrang’ aan is, bitter, pijnlijk of naar, is niet duidelijk. Het museum gaat niet over oorlog. Dan moet het ‘wrang’ slaan op het feit dat Israël betrokken is bij een oorlog. Heel duidelijk is het allemaal niet. In maart 1993 bezocht Herzogs vader, Chaim Herzog, de zesde president van Israël, samen met koningin Beatrix het voormalige kamp Westerbork. Een generatie later moest het een reprise krijgen, alleen lag Westerbork destijds uit de demonstratieroute en is Nederland in dertig jaar enorm van bevolkingssamenstelling veranderd.

Nog een perspectief

Maar er is nog een ander perspectief. Dat is het perspectief van de mensen die eerst in de Esnoga waren om daarna in het Joods (Historisch) Museum te worden ontvangen totdat zij, na de allerhoogste gasten, het Sjoa-museum konden bezoeken. Dit zijn voor een groot deel ouderen die de Sjoa hebben meegemaakt, die in de schaduw ervan zijn geboren, vaak zonder opa en oma, tantes, ooms, neefjes en nichtjes en met ouders die hun trauma op hen overbrachten. Voor hen was dit geen ceremonie maar een confrontatie.

De naopening

Ik was op de woensdag na 10 maart een van de genodigden bij deze, laten we zeggen, naopening. Veel vertegenwoordigers van Joodse organisaties en andere mensen die hun sporen in Joods Nederland hebben verdiend, waren er bijeen. Voor velen die daar waren, gold wat ik hier beschrijf. Het voelde als een confrontatie. Ik betrapte me erop dat ik vooral naar de onderschriften keek bij alle tentoongestelde objecten. Daar staat wie het voorwerp heeft gegeven; die leven ten minste nog.

Een van mijn vrienden, die ook was uitgenodigd, rende er bijna doorheen. Hij wilde het allemaal eigenlijk niet onder ogen komen. En verder sprak iedereen over wat er op zondag was gebeurd. Er hing een traumatische deken over de avond. Nebbisj voor de mensen van het museum die een geweldige prestatie hebben neergezet met de vestiging en inrichting van het Nationaal Holocaustmuseum.

Oog in oog

Terug naar de dag van de opening. De genodigden werden onbegeleid van de Esnoga naar het Joods Museum geleid, op gehoorafstand van de grote demonstratie op het Waterlooplein. Toen men op het Waterlooplein in de gaten had dat er een groep vanuit de Esnoga overstak naar het museum, haastten zij zich er via de Turfsteeg heen. Zo kwamen de mensen die ik net beschreef en die diep onder de indruk van bijvoorbeeld de toespraak van de Oostenrijkse president Alexander Van der Bellen, over zijn landgenoot Seyss Inquart, oog in oog te staan met een spandoek ‘Holocaust in Gaza’, op slechts dertig meter afstand.

De gemeente Amsterdam was gefocust op president Herzog, waartegen demonstraties waren aangekondigd, maar niet op de Joodse deelnemers uit Nederland. Deze mensen werden aangespoord snel het museum in te gaan – voor hun eigen veiligheid? In ieder geval voor hun eigen gemoedsrust.

Nog meer demonstranten

Nadat de hoogwaardigheidsbekleders uit het NHM waren vertrokken, mocht de groep uit het Joods Museum er naartoe. Onbegeleid liepen ze het museum uit, rechtsaf de Weesperstraat in, door de Plantage Parklaan tot de hoek met de Plantage Middenlaan. Daar werden ze tegengehouden omdat de hoge gasten nog niet uit het nieuwe museum waren vertrokken.

Op die hoek met het Wertheimpark stond weer een groep demonstranten hen op te wachten. Eerst het lawaai dat in de Esnoga te horen was, daarna de demonstranten met hun Holocaust in Gaza-spandoek en kreten bij het Joods Museum, en toen nog eens een groep die hen uitjouwde terwijl ze kwetsbaar stonden te wachten om de Plantage Middenlaan op te gaan. Er was politie en er waren gele hesjes. Juden raus! werd hier geroepen. Jullie horen hier niet. Bij het Sjoa-museum aangekomen, stond iets verderop, dus voor deze groep voorbij het museum, de pro-Israëlische groep ‘Gerritsen’ met hun Israëlische vlaggen en daar weer iets verderop tegendemonstranten.

Confrontatie

Er zijn minimaal vier protestplekken geweest waar de deelnemers aan de opening bloot hebben gestaan aan de woedende horden; slechts één, hoogstens twee ervan waren gericht op de Israëlische president. Wat overblijft is een traumatisch gevoel bij veel van de overige deelnemers en bij de Joodse gemeenschap. En het meest pijnlijke, het is niet eens zozeer voor de Joodse gemeenschap bedoeld dat er een museum over de Sjoa moest komen. Maar die mag wel de wrange nasmaak slikken.

De burgemeester heeft gedaan wat wettelijk moest worden gedaan, maar wat wettelijk moet en mag is niet wat zich nestelt in het hart en de ziel van de Joodse gemeenschap. Die kras is door haar gezet. Halsema heeft nog dezelfde week besloten dat alle middelbare scholieren in Amsterdam de film Verdwenen stad van Willy Lindwer moeten zien. De film die gaat over hoe 60.000 Amsterdammers de stad uit zijn gedeporteerd in minder dan anderhalf jaar tijd. Heel goed, en ook heel goed dat er een Holocaust museum is gekomen. Compleet met een ceremonie. Voor de Joodse gemeenschap is het een confrontatie gebleken.

Ruben Vis is bestuurslid van het Overlegorgaan Joden en Christenen (OJEC) en is secretaris van het Nederlands Israëlietisch Kerkgenootschap (NIK).

Categorie: | |

Home » Columns en opinie » Gastcolumns en blogs » Een confrontatie – gastcolumn Ruben Vis