Heftige onthullingen in rapport over Steenwijkerland in de oorlog
De gemeente Steenwijkerland heeft onderzoek laten doen naar het handelen van haar rechtsvoorgangers in en en na de Tweede Wereldoorlog. Het rapport, dat maandag werd gepresenteerd, liegt er niet om. De burgemeesters van Steenwijk en Blokzijl en hun ambtenaren deden niets om de ruim honderd Joden in hun gemeenten te beschermen. Integendeel. Met hun gemeenteapparaat hielpen ze mee Joden af te voeren en hun bezittingen op te slaan in de synagoge van Steenwijk. Na de oorlog wachtte de overlevende Joden een gevoelloze behandeling en naheffingen van belastingen en erfpacht.
Bot vangen
De gemeente Steenwijk hielp mee met het leeghalen van huizen van afgevoerde of ondergedoken Joden. Al hun spullen werden opgestapeld in de leegstaande synagoge. Joden die zich probeerden te redden vingen bot. Isaac Cassoeto bijvoorbeeld. Hij had zich in de jaren dertig samen met zijn zoon Ephraïm aangesloten bij de Vrij-Evangelische gemeente van Steenwijk. Vanwege dit lidmaatschap en zijn vorige huwelijk met een niet-Joodse vrouw had Casoetto zich niet aangemeld als Jood. Maar waarnemend burgemeester Hagemeijer en diens opvolger Van Panthaleon van Eck zorgden ervoor dat hij toch op transport moest. Casoeto werd in Auschwitz vermoord.
Joods schooltje
Na de oorlog kwam de ongeveer de helft van de honderd verdwenen Steenwijkse Joden terug – voor Nederlandse begrippen was dat vrij veel. Er was een Joods schooltje, in Gasthuisstraat 46, dat de overlevenden gebruikten voor Joodse les voor de kinderen. Burgemeester Goeman Borgesius liet het in 1947 echter vorderen voor de huisvesting van Steenwijkers. De school werd toegewezen aan NSB’er Cornelis Witziers, die twee jaar had vastgezeten en een woning zocht. Hij had ook in de oorlog door de bezetter van Joden gestolen huizen gekocht. Een verzoek van de Joodse gemeente aan Steenwijk om vijf gulden per week aan huur voor de school te ontvangen, zodat elders een zaaltje kon worden gehuurd voor de Joodse les, werd niet ingewilligd. In plaats daarvan werd het drie gulden.
VNG
Een van de Steenwijkse oorlogsburgemeesters, NSB’er DeLang, ging in de oorlog in een van de gestolen Joodse huizen wonen. Na de oorlog zocht de gemeente Steenwijk naar geld. Omdat die heeft moeten betalen voor het transport en de opslag van de Joodse spullen, vroeg de burgemeester de VNG om een vergoeding.
Naftaniel
“In het rapport staat niet of die vergoeding is ontvangen, maar ik vermoed dat er wel geld is betaald,” zegt Ronny Naftaniel. Hij doet voor het CJO onderzoek naar restitutie. “Het was gangbaar dat de kosten van transport en opslag van inboedels betaald werden uit de LIRO, of na de oorlog uit het liquidatie saldo van de LIRO. Dat betekent dat de Joden achteraf hebben moeten betalen voor het leeghalen van hun eigen huizen, het transport en de opslag.”
Blokzijl erger
De gemeente Steenwijk had totaal geen oog voor de gevoelens van zijn Joodse inwoners, aldus Naftaniel. “Ze hebben ook naheffingen voor erfpacht en grond- en erfbelastingen opgelegd, zo lijkt het. Steenwijk komt er erg lelijk van af, maar wordt misschien nog ingehaald door buurgemeente Blokzijl.” Die Overijsselse gemeente telde voor de oorlog acht Joodse inwoners. De in de Sjoa vermoordde familie De Horst bezat een pakhuis, aan de Zuiderstraat 18, waarvan de Blokzijlse burgemeester na de oorlog beheerder werd. Hij liet het afbreken zonder dat de familie dit goedvond. Volgens de onderzoekers zou er eerst wel goedkering zijn geweest, is de afspraak niet doorgegaan wegens de lange rechtsherstelprocedure en het tussentijdse overlijden van burgemeester Van den Berg. De gemeente bouwde er een woning op.
Grondroof?
In de jaren tachtig viel deze woning toe aan de woningbouwcoöporatie, terwijl de grond nog in eigendom was van de familie. In 2014 ontdekte een notaris dat de grond van de erven De Horst was. Hij stelde vast dat het eigendom was vervallen aan de woningbouwvereniging, omdat het nooit door hen geclaimd is. Naftaniel: “De grond zal alsnog teruggegeven moeten worden, met diepe excuses, want dit is grondroof. Het rapport beveelt de gemeente overigens aan om contact te zoeken met de erfgenamen.”
Excuses maken
Naftaniel doet een beroep op de gemeente Steenwijkerland om excuses te maken voor zijn handelwijze in en na de oorlog. “Ook dient er contact gezocht te worden met de erfgenamen van de familie De Horst in Blokzijl. Zij moeten alsnog rechtsherstel krijgen. Juridisch is de zaak niet verjaard, want de laatste handeling was in 2014. Met name de botte gevoelloosheid om na de oorlog het Joodse schooltje te huur te geven aan een NSB’er is een grove schande.”
Scholen betrekken
Naftaniel: “Het zou goed zijn als de gemeente informatie beschikbaar stelt over geschiedenis van de Joodse gemeenschap in Steenwijkerland en alle scholen daar kennis van nemen. Een keer per jaar zouden scholieren in de gemeente naar Herinneringskamp Westerbork moeten gaan. In de kop van Overijssel waren weinig Joden, maar toch denk ik dat het goed is als ze zich er er bewust van worden dat er Joden zijn geweest en wat hun lot is geweest. Dat kunnen ze in Westerbork aanschouwen.”
Landbouwgronden
Verder vermoedt Naftaniel dat er geen onderzoek is gedaan naar Joodse landbouwgronden. “Daar staat niets over in het op zich goede en informatieve rapport. Die gronden zijn er vermoedelijk wel geweest, want die waren er juist in deze delen van de Mediene.” Ook de familieleden van huidig opperrabbijn Binyomin Jacobs behoorden tot de slachtoffers in Steenwijk.
Update
De huidige burgemeester, Rob Bats, heeft gereageerd op de uitkomsten van het rapport. Hij schrijft: ‘Het onderzoek geeft een duidelijk beeld van hoe de voorgangers van de gemeente Steenwijkerland zich hebben opgesteld tijdens en na de oorlogsjaren. En dat te weten, is belangrijk. Ook dit hoort bij onze geschiedenis en ook dit verhaal moet verteld worden. We willen met dit onderzoek recht doen aan de gevoelens van de nabestaanden van Joodse inwoners. Daarom willen we ook dat iedereen die dat wil er kennis van kan nemen’.
Lees ook:
Naftaniel: ‘meer onderzoek naar geroofd Joods vastgoed in Delft is nodig’
In Delft kan meer worden gedaan om duidelijk te maken hoe het zat met geroofd Joods vastgoed en de rol van de gemeente. Dat stelt Ronny Naftaniel vast namens het Centraal Joods Overleg (CJO), de organisatie waarin hij zich onder andere bezig houdt met Joodse oorlogstegoeden. Het basisonderzoek dat vorig jaar vanuit het Delftse Stadsarchief werd gedaan, moet worden uitgebreid, aldus Naftaniel.
Waardeert u dit artikel?
Doneer hier dan een klein bedrag. Jonet.nl is een journalistiek platform dat zonder giften niet kan bestaan. Wij danken u bij voorbaat.
Wil je meer informatie of een hoger bedrag doneren? Ga naar jonet.nl/doneren






