Joods en ongebonden – essay Margalith Kleijwegt
Onder veel Joden buiten Israël gaat Joods-zijn meer over cultuur, religie en gemeenschap dan over identificatie met ‘hun’ staat. Zo ook in Amsterdam. Hoe verhoudt de diaspora zich volgens Margalith Kleijwegt tot Israël? Zij schreef een essay over haar inzichten en beleving. Linkse Joden nemen afstand van Netanyahu en Israël, en in Amsterdam timmert Oy Vey aan de weg.
“Israëliër zijn is iets anders dan Joods zijn.” Tijdens ons gesprek herhaalt Roni (22) de zin een paar keer, niet als provocatie, maar als vaststelling. Ze verzet zich tegen het idee dat Joden in de diaspora zich vanzelfsprekend met Israël moeten vereenzelvigen. Het stoort haar wanneer Nederlandse Joden haar vertellen dat Israël ‘hun ware thuis’ is. Ze schudt haar hoofd. Dat is, zegt ze, een romantische misvatting. Wie nooit in Israël heeft geleefd, onderschat hoe fundamenteel het bestaan daar verschilt van het leven hier.
Drieënhalf jaar geleden verliet Roni Israël. Ze verlangde naar vrijheid en naar afstand van de permanente spanning waaronder het leven in haar vaderland staat. Via omwegen kwam ze in Amsterdam terecht. Ze oogt verlegen en kwetsbaar, maar is in alles wat ze zegt strijdbaar.
Roni komt uit een familie met een lange geschiedenis in het Israëlische leger. Zelf werd ze, tot verdriet van haar vader, om medische redenen afgekeurd. Inmiddels studeert ze aan de Universiteit van Amsterdam, waar ze naar eigen zeggen weinig antisemitisme ervaart, maar wel veel antizionisme. Ze doet haar best om, hoe moeilijk ook, die twee uit elkaar te houden; de grens is flinterdun.
“Als ik zeg dat ik Pesach ga vieren, krijg ik daar nooit commentaar op”, zegt ze. “Helaas wordt Israël hier vaak alleen gezien als een koloniaal monster. Terwijl de geschiedenis toch complexer is.” De oprichting van Israël, benadrukt ze, is niet los te zien van het Europese schuldgevoel na de Holocaust, de Europese vernietiging van Joods leven. Dat besef is afwezig in veel hedendaagse debatten, waarin de staat wordt gereduceerd tot een eendimensionaal gedrocht.
Vredesbeweging
In Amsterdam is Roni actief bij Nederlandse Vrienden van Combatants for Peace, een vredesbeweging geleid door zowel Palestijnen als Joden die sinds kort hier een afdeling heeft. De oprichters en medewerkers hebben aan beide kanten van het conflict gestaan; ze laten zien dat vroegere vijanden partners kunnen worden in het zoeken naar vreedzame oplossingen. “Zo doe ik toch nog iets voor mijn land,” zegt Roni, al wordt dat land voor haar steeds problematischer.
De broer van haar opa droeg het brandmerk van Auschwitz nog zichtbaar op zijn arm. “Mijn zusje vroeg of dat zijn telefoonnummer was.” Ondanks de tragische familiegeschiedenis wil Roni, net als veel mensen van haar generatie, verder met een leven waarin zowel de Holocaust als Israël een minder grote rol speelt. Niet uit ontkenning, maar uit zelfbehoud – en uit de behoefte aan een toekomstperspectief dat niet volledig wordt opgeslokt door geschiedenis en conflict.
Dilemma
Roni’s houding laat een groter dilemma zien. Veel Joden in de diaspora, dus zij die buiten Israël leven, blijven hun veiligheid en Joodse identiteit grotendeels koppelen aan de staat Israël. Maar is Israël nog steeds die veilige haven? Is het land in de afgelopen decennia niet ingrijpend veranderd? Heeft een leven in de diaspora misschien juist meer toekomst?
Het Jodendom heeft tenslotte eeuwenlang zonder Israël bestaan. In ieder geval, zegt Roni, doen Israël en de diaspora er goed aan om zich zowel emotioneel als politiek enigszins van elkaar los te maken. Roni is niet de enige die worstelt met de toekomst van Israël of die nadenkt over de toekomst van de diaspora.
De afgelopen tijd sprak ik met Israëliërs die hier om verschillende redenen naartoe zijn gekomen en met kritische Nederlandse Joden, een van hen woonde decennialang in Israël maar hield het onder het regime van Netanyahu niet langer vol en kwam terug. Bij mijn gesprekspartners was soms sprake van machteloosheid – ‘hoe moet het in godsnaam verder’ – berusting was er bij niemand.
Vervloekte staat
Zeker niet bij Chen Alon en Moria Shlomot. “Israël is een vervloekte staat,” was de eerste zin die ik Chen hoorde zeggen. Hij slaakte een diepe zucht op de stoep van het huis aan een Amsterdamse gracht waar we elkaar spraken nadat we met een grote groep sabbat hadden gevierd. Hij tilde zijn hoofd op, keek naar de hemel en snoof de warme avondlucht op: “De rust hier, wat is dat heerlijk.”
Hij en zijn vrouw Moria wonen een jaar in Amsterdam om bij te komen van de afgelopen intense periode in Israël. Israël is er verschrikkelijk aan toe, vinden ze beiden. Nauwelijks nog een rechtsstaat, een paria in de wereld. Wat hen betreft dringt dat onvoldoende door. ‘Waarom wordt kritiek op Israël in Nederland zo snel afgedaan als antisemitisme?’ vragen ze zich in alle oprechtheid af.
Zijn vader, vertelde Chen later bij mij thuis aan de eettafel, diende in twee oorlogen, die van ’67 en die van ’73, en Chen zelf zag ernaar uit om in dienst te gaan. Hij wilde net zo’n oorlogsheld worden als zijn vader. Hij ging als jongeman, rond zijn bar mitswa en tijdens het uitbreken van de Eerste Libanonoorlog zelfs een tijd lang elke dag naar sjoel om te bidden voor de soldaten.
Toen hij eenmaal in het leger zat, was hij uitermate gehoorzaam, hij deed alles wat van hem werd gevraagd. Israël was tenslotte een democratische staat, dacht hij, loyaliteit was een voorwaarde. “Mijn soldaten vroegen nadat we een tienjarig kind ’s nachts van zijn bed hadden gelicht of wat we deden legaal was. We weten niet wat hij heeft gedaan, verdedigde ik, of tot welke terroristische groep het kind behoorde.” Hij schudt beschaamd zijn hoofd: “Achteraf besefte ik hoe gehersenspoeld ik was.”
Combatants for Peace
Steeds beter drong tot hem door hoe onrechtvaardig de situatie voor de Palestijnen was en toen hij in 2002 opgeroepen werd om als officier met de rang van majoor naar Gaza te gaan, weigerde hij dienst. Hij belandde in de gevangenis en zat daar met ongeveer honderd andere dienstweigeraars. Samen met de Palestijnse activist Sulaiman Khatib en tientallen anderen richtte hij in 2006 Combatants for Peace op.
Chen geeft op dit ogenblik les aan de Universiteit van Amsterdam en voert felle discussies met zijn studenten. Hun zoon zit hier op de internationale school en hun dochter Tamar, die tien jaar geleden net als haar vader dienstweigerde, woont in Wenen.
Chen en Moria lijken onverwoestbaar. “We moeten wel,” zeggen ze, “er is geen andere weg.” Sommige vrienden lieten hen vallen, maar er kwamen ook vrienden bij. Inmiddels maken ze deel uit van een hechte gemeenschap van betrokken burgers die van hun verzet tegen de Israëlische regering een dagtaak maken. Die vanuit Tel Aviv naar de Westoever reizen om Palestijnen fysiek te beschermen tegen de aanhoudende aanvallen van de kolonisten.
Optimisme en pessimisme wisselen elkaar af tijdens het gesprek. “Misschien zijn we verloren,” verzucht Chen, om er meteen aan toe te voegen: “Ik hou van dat land, het moet ons lukken.’
Grote stap
Zijn grootouders kwamen vanuit het destijds antisemitische Polen vlak voor de Tweede Wereldoorlog, waarin een groot deel van zijn familie werd vermoord, naar Israël; die grote stap mag niet voor niets zijn geweest. Chen en Moria zien hoe steeds meer Israëliërs de situatie in Israël niet langer verdragen en vertrekken.
En hoe heerlijk het afgelopen jaar in Amsterdam ook voor ze was – geen alarm, geen schuilkelder, geen agressieve kolonisten – hun thuis is en blijft Israël. Omdat ze de strijd niet willen opgeven. Omdat ze het als een verplichting zien. En omdat ze daar nuttig kunnen zijn. Tegelijk hopen ze dat er in de diaspora meer verzet zal ontstaan tegen het handelen van Israël, dat in de gevestigde Joodse kring zal doordringen dat het zo niet verder kan.
De verhalen van Chen en Moria illustreren de druk waaronder vredesbewegingen staan, een gevolg van een steeds verder verharde sfeer. Binnen Israël wordt het almaar moeilijker om je openlijk tegen de oorlog en de bezetting te verzetten. Organisaties als Combatants for Peace, Standing Together en A Land for All worden niet formeel verboden, maar moeten opereren in een steeds vijandiger omgeving. Demonstraties worden beperkt of verboden, activisten geïntimideerd en linkse of Joods-Arabische initiatieven systematisch gedelegitimeerd door politici en media.
Veilige haven?
Roni, die haar leven nog voor zich heeft, ging zichtbaar gebukt onder de last die ze met zich meedroeg. Ze vroeg me waarom in Nederland zoveel over joden wordt gesproken, terwijl er toch maar zo weinig zijn. Vanwaar die disproportionele belangstelling? Haar vader had haar gewaarschuwd voor ze vertrok. Let maar op, had hij gezegd, ze willen je niet in Europa, al is de Tweede Wereldoorlog al lang voorbij. Ze zeggen van wel, tot het moment dat ze dat niet meer doen.
Je kunt je afvragen of Israël nog wel die veilige haven is voor Joden uit de diaspora. Het land dat zich als beschermer presenteert, eist tegelijkertijd solidariteit van Joden wereldwijd. Israëlische politici roepen op hoge toon dat het leven buiten Israël gevaarlijk zou zijn. Zaaien angst, in de hoop dat zo veel mogelijk Joden naar Israël komen.
Zoals in 2015 toen Benjamin Netanyahu na antisemitische aanslagen in Frankrijk Joden daar opriep om zo snel mogelijk naar Israël te komen. Zo werden diaspora-Joden voorgesteld als verlengstuk van de Israëlische staat en niet als volwaardige burgers van hun eigen land.
Die verwevenheid tussen Israël en de diaspora werd voor mij tastbaar tijdens een bijeenkomst in Buitenveldert in Amsterdam, waar Jaïr Golan, leider van de Israëlische Arbeiderspartij, de aanwezigen opriep de Israëlische nationaliteit aan te nemen zodat ze bij de aanstaande verkiezingen konden stemmen. Zijn verzoek toonde hoe vanzelfsprekend het is dat Joden, overal ter wereld, politiek bij Israël horen.
Israëlische vlaggen
Joden in de diaspora benadrukken zelf ook de band met Israël. Na de vreselijke steekpartij in Golders Green in Londen afgelopen april protesteerden Joden tegen het gebrek aan bescherming door de Engelse overheid. Maar wat deden al die Israëlische vlaggen bij die demonstratie? Door met Israëlische vlaggen te zwaaien werd precies het onderscheid dat veel Joden zélf willen maken – wij zijn burgers hier, geen vertegenwoordigers van Israël – in een moment van angst en kwetsbaarheid onbedoeld ondergraven.
En neem Douwe Bob, die vorige zomer afzag van zijn optreden tijdens het Jom Ha Voetbaltoernooi in Amsterdam nadat hij op een tafeltje folders van een zionistische jongerenbeweging had zien liggen. Volgens Douwe Bob was de afspraak dat er geen politieke uitingen zouden zijn hiermee geschonden. Hij vertrok voor hij één noot had gezongen. Dit tot woede van onder anderen toenmalig minister van Justitie Dilan Yesilgöz die kritiek op Israël aanzag voor antisemitisme. ‘Zo gewoon is Jodenhaat geworden. Pure haat, in het volle zicht.’
Gebed
Recent schreef Rosanne Hertzberger in haar column in de NRC over het wekelijks gebed in de synagoge waarin naast het koningshuis en de rechters en volksvertegenwoordigers het bestuur van Israël wijsheid wordt toegewenst. Haar reactie was scherp: ‘Ja, wijsheid. Én een hele lange gevangenisstraf.’ Met deze zin vat ze de spanning van het leven in de diaspora samen. Achter de ironie schuilt een serieus probleem. In één adem worden ‘ons’ koningshuis en een buitenlandse regering genoemd. Zo verknoopt is het dus.
Het gaat hier niet alleen om wat rabbijnen of gemeenschappen bedoelen wanneer ze in synagogen Israël noemen, of wat het CIDI bedoelt, of het CJO (Centraal Joods Overleg, een koepel van organisaties die zegt de belangen van de Joodse gemeenschap te behartigen en gesprekspartner is voor de overheid), maar vooral om hoe het overkomt.
Voor buitenstaanders lijkt het of álle Joden sterk verbonden zijn met Israël, maar dat ligt genuanceerder. Het merendeel van de Nederlandse Joden heeft op een of andere manier affiniteit met Israël, vanwege de Holocaust, vanwege familie die er woont, maar er zijn er genoeg die grote kritiek hebben op de koers van het land.
Ongebondenen
Ongeveer dertig procent van de Nederlandse Joden is aangesloten bij gevestigde of religieuze gemeenschappen, zoals een synagoge of een jeugdvereniging. De overige zeventig procent is dat niet. Laten we ze ‘de ongebondenen’ noemen, mensen die zichzelf als Joods beschouwen, maar die niet actief zijn en niet gerepresenteerd worden door een organisatie als het CJO. Tot die groep behoor ik zelf.
Inmiddels is een derde van de Amsterdamse Joden – dat is echt veel – afkomstig uit Israël, vaak omdat ze daar geen toekomst zien, soms om een andere reden. De diaspora verandert om die reden in snel tempo van samenstelling.
Wat Roni intuïtief aanvoelt, raakt aan een verschuiving binnen de diaspora. De vanzelfsprekendheid waarmee Joods-zijn en Israël met elkaar worden verbonden door zowel Joden als niet-Joden, staat steeds meer onder druk. Schrijvers en denkers proberen opnieuw de verhouding tussen Israël en de diaspora te formuleren. Hun analyses verschillen van toon, maar ze raken aan een vergelijkbare kernvraag: hoe vanzelfsprekend is het dat Joods leven samenvalt met één nationale staat?
Diasporisme
Die herwaardering van de diaspora dook al op in de literatuur. In Operation Shylock (2010) laat Philip Roth een personage optreden dat zich Shylock noemt en pleit voor wat hij ‘diasporisme’ noemt: de terugkeer van Joden uit Israël naar Europa, terug naar de minderheidspositie die het zionisme juist wilde opheffen.
Bij Roth blijft het een gedachte-experiment. Avraham Burg, voormalig voorzitter van de Knesset, betoogt al bijna twintig jaar hoe noodzakelijk het is dat het land de Holocaust en het slachtofferschap juist achter zich laat. In zijn boek The Holocaust Is Over, We Must Rise from Its Ashes waarschuwt hij aan de hand van zijn familiegeschiedenis – zijn ouders waren holocaustoverlevenden – voor het nationalisme waarin het land volgens hem is vastgelopen. Zijn boek verscheen in 2008 en riep felle en verdeelde reacties op: voor sommigen was Burg een verrader, voor anderen getuigde zijn zelfkritiek juist van moed.
Volgens Burg wordt de herinnering aan de Holocaust, het slachtofferschap, te vaak ingezet om te suggereren dat Israël zich alles moet kunnen veroorloven wat nodig is voor zijn veiligheid, en dat kritiek daarop per definitie onrechtvaardig is. Daarmee, waarschuwt hij, wordt niet alleen de hele democratie onder druk gezet, maar ook de positie van Joden wereldwijd.
Motor
In zijn boek Over antisemitisme schrijft de Britse historicus Mark Mazower in 2025: ‘Israëliërs, diaspora-Joden en vrienden van Israël wereldwijd moeten begrijpen dat de manier waarop Israël oorlog voert in Gaza zal bepalen hoe Israël en Joden in de toekomst zullen worden gezien.’ Hij vermoedde al een paar jaar geleden dat Israël niet langer als veilig thuis zal worden beschouwd, eerder als een motor die Jodenhaat aanwakkert. Veel Israëliërs zullen de komende tijd in de rij staan om te emigreren naar Australië en Amerika, was zijn verwachting.
Ido de Haan, hoogleraar politieke geschiedenis aan de Universiteit Utrecht, deelt de sombere voorspelling van Mark Mazower. De Haan is al langer kritisch over Israël, maar is radicaler geworden in zijn conclusies. Volgens hem schuilt de fundamentele weeffout van Israël in de manier waarop het idee van een Joods nationaal thuis door de dominante stroming binnen het zionisme is uitgelegd: als het samenvallen van land, volk en staat. Een territorium wordt daarbij als ‘Joods’ beschouwd, waarin alleen Joden door de staat gegarandeerde burgerrechten hebben.
Buiten de staat Israël is de Joodse identiteit volgens De Haan altijd pluriform, kritisch en in beweging gebleven – en juist dat wordt binnen Israël steeds moeilijker. De diaspora vormt daarom een noodzakelijk moreel en intellectueel tegenwicht tegen een staat die zijn grenzen heeft overschreden.
Destructief
Het huidige Israëlische beleid is niet alleen destructief voor Palestijnen, maar net zo goed voor Joden elders in de wereld. De versmalling van joods-zijn tot staatsloyaliteit maakt Joodse burgers wereldwijd tot inzet van een conflict waarin zij geen partij zijn.
“Voor Israëlische staatsburgers,” zegt De Haan, “is de cruciale vraag of en hoe Israël een democratische rechtsstaat kan worden. Voor Joden in de diaspora ligt die vraag anders: hoe bouwen we een zinvol Joods bestaan op in een Europese context waarin het idee van een pluriforme rechtsstaat zelf steeds verder onder druk staat?”
Wat opvalt in gesprekken met mensen als Roni, is het verlangen om door de buitenwereld niet telkens teruggebracht te worden tot Israël. Ze willen gezien worden als individu en eventueel als Joods. Niet omdat Israël of de geschiedenis er niet toe doen, maar omdat het niet alles zou moeten domineren.
Jongeren
De spanning tussen Israël, identiteit en de ervaring van Joods-zijn speelt breder. Uit onderzoek van het Pew Research Center uit 2021 blijkt dat onder Amerikaanse Joden een duidelijke generatiekloof bestaat in de identificatie met Israël. Ongeveer twee derde van de Joden van 75 jaar en ouder voelt zich emotioneel verbonden met Israël, tegenover slechts 48 procent van de Joden tussen 18 en 29 jaar.
Bij jongere generaties is Israël minder bepalend voor hun Joodse identiteit. Joods-zijn gaat voor hen vaker over cultuur, religie en gemeenschap dan over identificatie met de Israëlische staat. Tegelijkertijd zijn zij kritischer op het beleid van Israël.
Uit Engels onderzoek van Jewish Policy Research, uitgevoerd in 2025, blijkt dat de jonge generatie kritischer staat tegenover Israël: 44 procent van de 20- tot 29-jarigen vindt betrokkenheid bij sociale rechtvaardigheid een belangrijker onderdeel van hun Joodse identiteit dan steun aan Israël.
Het ziet ernaar uit dat een jongere generatie zich minder de les zal laten lezen door Israël. De gemeente Amsterdam speelde in op deze internationale trend door Nesjomme in Mokum te publiceren, een belangwekkend rapport van een commissie over de toekomst van Joods Amsterdam. De stad heeft 25 miljoen euro beschikbaar gesteld voor initiatieven waarbij de nadruk ligt op de toekomst: op jong Joods leven, met aandacht voor kennis, cultuur en de publieke ruimte.
De commissie onder voorzitterschap van oud-minister Jet Bussemaker sprak met tientallen betrokkenen, gelukkig ook met jongeren die nergens bij zijn aangesloten, ‘de ongebondenen’, en zag hoe groot de animo is om dat Joodse leven nieuw leven in te blazen. Daarmee erkent het rapport impliciet dat het centrum van het Joodse leven in Nederland niet langer uitsluitend bij de gevestigde instellingen ligt, maar zich steeds meer buiten de traditionele structuren afspeelt.
Joden zeggen Nee
De grassroots groep Oy Vey kiest nadrukkelijk voor het opbouwen van Joods leven, hier en nu, in de diaspora. Hun achterban is jong en energiek. Daarnaast is er Een Ander Joods Geluid en Joden Zeggen Nee, die met een petitie – inmiddels door bijna tweeduizend mensen ondertekend – uitdrukkelijk afstand neemt van het beleid van Benjamin Netanyahu. De afgelopen periode organiseerden ze drukbezochte avonden onder de titel ‘Begrijpt u Israël?’
Oy Vey heeft ambitieuze plannen voor de toekomst en is inmiddels gehuisvest in een eigen pand in de oude Jodenbuurt vlak bij het Waterlooplein. Op een plek waar ooit het Joodse leven geconcentreerd was, probeert een nieuwe generatie opnieuw ruimte te maken voor wat Joods leven kan zijn. Het huidige centrum van het Joodse leven – scholen en synagogen – ligt tegenwoordig grotendeels in het nogal saaie Buitenveldert.
LHBTIQ+
We zitten in het nieuwe onderkomen van Oy Vey, een groot oud pand dat nog moet worden opgeknapt maar waar de sfeer prettig en open is. Voor bestuurslid Eva de Haan was het bestaan van Oy Vey een uitkomst. Precies waar ze naar zocht: een groep jonge Joden die zich wilden bezighouden met het leven in de diaspora, met rituelen, vieringen, dialogen, acties, noem maar op. Een plek waar iedereen welkom is, ook jongeren die alleen een Joodse vader of grootvader hebben, of deel uitmaken van de LHBTIQ+-gemeenschap. “Wij noemen dat centering the margins.“
Medeoprichter Lievnath Faber, in opleiding als rabbijn, schuift aan bij het gesprek en zegt: “We willen een laagdrempelige plek zijn waar iedereen zich thuis kan voelen.” Door niet Israël of antisemitisme als vertrekpunt te nemen, maar het dagelijkse Joodse leven, verlegt Oy Vey het zwaartepunt van wat Joods-zijn kan betekenen naar de diaspora.
De plannen reiken verder dan alleen ontmoeting: er is een leerprogramma, een bibliotheek, er is ruimte voor seider-vieringen. Hun nieuwsbrief gaat inmiddels naar zestienhonderd adressen en ze hebben contact met Duitse en Engelse vergelijkbare organisaties. Oy Vey organiseerde onlangs voor de tweede keer een Joods filmfestival in bioscoop Kriterion dat volledig was uitverkocht.
Er is volgens Lievnath bij de jonge generatie een grote behoefte aan meer kennis over het Jodendom, meer verdieping en meer besef van de eeuwenoude tradities. “We zijn van plan het Joods leven in Mokum verder te verankeren en niet alleen te reageren op antisemitisme of op al die rechtse geluiden.”
Thee met koekjes
Laatst leende gate48, een platform voor kritische Israëliërs, de ruimte van Oy Vey voor een discussieavond, met een afgevaardigde van de mensenrechtenorganisatie B’tselem over de situatie op de Westoever. Oy Vey verzorgde de thee met koekjes.
Mede-oprichtster Hilla Dayan, sociologe en docent aan het Amsterdam University College, spreekt over het ‘apartheidsregime’ van Israël. Sinds 7 oktober houdt gate48, samen met Mothers Against Violence en Vrienden van CfP, elke zondag om vijf uur ‘s middags een stil protest op het Spui, demonstranten lopen in stilte rondjes rond het Lieverdje, iedereen houdt een bord vast waarop in niet mis te verstane slogans het beleid van Israël wordt veroordeeld.
Dayan wil wel gezegd hebben dat het onder de aandacht brengen van de Israëlische onderdrukking in het belang is van een veilige en rechtvaardige toekomst van Israëliërs en Palestijnen. “Ik zet me dag en nacht in tegen het geweld en de minachting van mensenrechten; het is er zo erg.”
Volgens Dayan dringt dat bij Joden hier nog niet genoeg door. “Ze willen de ontmenselijking van Palestijnen en de genocidale acties van de huidige regering niet onder ogen zien. Dat ze Israël nog steeds als een veilige plek beschouwen, is werkelijk absurd, aangezien Israël bereid is zijn eigen burgers op te offeren aan roekeloze regionale oorlogen waardoor de wereld steeds onveiliger wordt.”
Haar vader was een van de duizenden Joden die in de jaren vijftig en zestig vanuit Marokko naar Israël emigreerden – een massale exodus. Deze geschiedenis is onderbelicht en Dayan doet onderzoek naar de vergeten verhalen; haar boek hierover verschijnt in 2027. “Als je me vraagt naar de toekomst van de diaspora, denk ik dat die ligt in een heropleving van een post- of antizionistische diasporabeweging. Een beweging die de huidige hegemonie binnen Israël en de Joodse wereld kan doorbreken – in het belang van alle Joden, en juist ook van de Joden in Israël.”
Extreem-rechtse partijen die zich plotseling presenteren als beschermers van Joods leven, doen dat volgens Dayan zelden uit solidariteit, “maar omdat Israël past in hun eigen nationalistische wereldbeeld: als frontlinie tegen de islam.”
Kwetsbaarder
Wat Dayan blootlegt, raakt aan een ongemakkelijke waarheid die in veel discussies wordt ontweken: dat het huidige Israëlische beleid niet alleen Palestijnen schaadt, maar ook Joden buiten Israël kwetsbaarder maakt. In die zin is de koppeling tussen Joodse identiteit en de Israëlische staat een risico: zij voedt wantrouwen en vergroot spanningen. Het zou al helpen wanneer ‘de Joodse gemeenschap’ zich dat meer zou realiseren, in plaats van bij elke kritische kanttekening die onveilig aanvoelt de antisemitisme-kaart te trekken.
Roni is iemand die zich overal tussen beweegt. Ze staat symbool voor de positie waarin veel jonge Joden verkeren: ze moeten hun plek zoeken in een gepolariseerde wereld waar ze niet om hebben gevraagd, maar wel op worden aangesproken, en dat is niet eenvoudig.
Tijdens de jaarlijkse herdenking van Joodse en Palestijnse slachtoffers afgelopen april, georganiseerd door Nederlandse Vrienden van Combatants for Peace, leefde ze zichtbaar op, ze kon iets betekenen, kaartjes controleren, kijken of alles goed loopt, ze was nuttig. De ceremonie, te volgen via een livestream op een groot scherm met Israël, was indrukwekkend; familieleden van slachtoffers aan beide zijden namen het woord, hun verdriet was bijna voelbaar.
Chen en Moria zaten op de eerste rij, samen met hun zoon en hun medestrijdster Iris, van wie de dochter kort na Tamar dienstweigerde. Zij zat vier maanden in de gevangenis en studeert op dit moment in Amsterdam. Hilla Dayan zat achter in de zaal, ze rende na afloop naar voren om Chen en Moria te omhelzen.
Roni was tevreden over de avond, ze overwoog een master te gaan doen, zei ze met een glimlach. Daarna zag ze wel weer verder.
Dit essay verscheen eerder in De Groene Amsterdammer.
Waardeert u dit artikel?
Doneer hier dan een klein bedrag. Jonet.nl is een journalistiek platform dat zonder giften niet kan bestaan. Wij danken u bij voorbaat.
Wil je meer informatie of een hoger bedrag doneren? Ga naar jonet.nl/doneren






