Dé online community van Joods Nederland. 10 Tishri 5779 · 19 september 2018
 

Swipe voor meer nieuwsberichten
Schiet zelf eerst! – column Paul Damen

Het is de eeuwige vraag in een democratie: mag die zich desnoods met ondemocratische (niet door het parlement goedgekeurde) methoden verzetten tegen terroristen die dezelfde democratie willen vernietigen? Als de ‘tegenpartij’ álle middelen inzet, onethische inbegrepen, mag jij dat dan ook? Of specifiek: mag de staat Israël, continu bedreigd door de buren, zich meer veroorloven dan andere, ‘beschaafde’ westerse staten? De Israëlische journalist Ronen Bergman geeft daar een antwoord op in zijn recent verschenen ‘Rise and Kill First’, een boek waar hij zeven jaar aan werkte, dat deels al in New York Times Magazine werd gepubliceerd, en nu in Nederland uitkomt bij uitgeverij Nieuw Amsterdam als ‘Schaduwoorlog‘. De Engelstalige titel geeft al aan dat Bergman meent dat een staat mag moorden bij bedreiging. Sterker nog, volgens Bergman heeft, ‘sinds Tweede Wereldoorlog, Israël meer mensen laten vermoorden dan welk Westers land ook’.
In die westerse landen wordt de Israëlische geheime dienst Mossad bijkans mythische macht aangewreven. Als de Mossad niet bestond moest ze worden uitgevonden – er is immers geen organisatie die zo perfect beantwoordt aan alle antisemitische clichés: een verborgen, Joods genootschap dat de wereld lijkt te regeren. Een Joods wereldcomplot waar zelfs boemannen als Geert Wilders lid van zouden zijn. Vreemd overigens, want eerste vereiste voor medewerkers is het Israëlisch staatsburgerschap dat Wilders níét bezit.

Bergman, journalist bij Yediot Ahronot, Israëls grootste krant, geeft in zijn Engelstalige pil van ruim 750 pagina’s antwoord op vragen over een organisatie die doorgaans geen vraag beantwoordt. En dus was het een hele klus om dit boek rond te krijgen: zes jaar terug nog beschuldigde de hoogste Israëlische militair hem ervan ‘erger te zijn dan een spion’. Zo’n opmerking is doorgaans niet bevorderlijk voor de nachtrust, maar Bergman kreeg niettemin het opmerkelijke aantal van duizend informanten te spreken, van politici tot Mossadmedewerkers. Hun informatie ging verder dan enkel het beschrijven van het werk van de dienst, maar stelde Bergman ook in staat in te gaan op de dilemma’s in dat werk: wat denkt de Mossad vóórdat een tegenstander wordt ‘omgelegd’. Dat het daarbij gaat om aartsvijanden die niets liever willen dan alle Joden afmaken maakt de ethische dilemma’s bij de moord op hén niet minder. Moord kan tot methode worden, gewoonte, gemakzucht, routine. In Israël, ontstaan na de Sjoa uit zelfbehoud, neemt men het zekere voor het onzekere. De titel van het boek is ontleend aan de Talmoed: ‘als iemand op je afkomt om je te vermoorden, sta op en doodt hem eerst’.

Maar niet altijd is de noodzaak tot directe zelfverdediging zo duidelijk. De Mossad is mede voortgekomen uit de ondergrondse zionistische strijdgroepen onder het Brits Mandaat. De aanslagen op Britten waren, zo werd toen steeds opnieuw benadrukt, niet persoonlijk bedoeld. De Britten stonden de Joodse onafhankelijke staat in de weg. En dus waren ‘persoonlijke terreurdaden’ – bomaanslagen, overvallen, executies – gerechtvaardigd. Aan de vele Engelse oorlogsgraven in Israël, bijvoorbeeld die van de negentienjarige soldaat Harry Potter – hij bestond écht, en sneuvelde op 22 juli 1939 bij Hebron – is nog te zien hoe hard het er aan toeging. ‘We hadden het te druk om over de Britten en hun familie te denken’, zoals een Mossadmedewerker zich de executies herinnert. ‘Ik voelde niks, niet eens schuld. Wij dachten: hoe meer doodskisten naar Londen gaan, des te eerder zijn wij vrij’.
Bergman schetst hoe die gedachte, die guerrillamethoden via later prominente verzetsstrijders als Yitzhak Shamir en Menachem Begin doorsijpelden naar de geheime diensten van de jonge Joodse staat. Niet zelden leverde de Sjoa legitimatie voor moord. Bergman beschrijft hoe Meir Dagan, Modssadbaas van 2002 tot 2011, een foto op zijn bureau had van een man met een gebedskleed om, die hij steeds aan zijn agenten liet zien voor ze op een missie gingen. ‘Kijk, dit is mijn opa, vlak voor de nazi’s hem afmaakten. De meeste Joden stierven in de Sjoa zonder te vechten. Daar moeten we nooit meer in terugkomen, in een situatie dat we we moeten knielen zonder te kunnen vechten voor ons leven’. Dagan redeneerde: moord als strategie is meer acceptabel dan een totale oorlog.

Dat ging niet altijd goed. Dagan, zo blijkt uit dit boek, was aangesteld om de door een aantal pijnlijke fouten stuurloos geraakte geheime dienst weer op poten te zetten. De Mossad blunderde nogal in de jaren negentig van de vorige eeuw. Zo was in 1997 de aanslag op Khaled Mashal, politiek leider van Hamas, mislukt omdat de man op het moment dat hij gif in zijn gezicht gesproeid zou krijgen, zich omdraaide naar zijn dochter. Twee Mossadagenten werden op heterdaad betrapt en opgepakt, en pas vrijgelaten toen Israël het antiserum voor het gebruikte gif leverde en Hamas-oprichter sjeik Yassin (die later alsnog door de dienst werd opgeblazen) vrij liet. Na die zware vernedering zette Dagan de dienst met een serie geslaagde aanslagen weer op poten. Zo initieerde hij de eenheid die binnen de Mossad bekend staat als Caesarea, een ultrageheime autonome unit die slechts het meest gevaarlijke doet: executies, sabotage en het binnendringen in ultrageheime installaties. Of zoals een informant aan Bergman het omschreef: ‘als de Mossad de tempel is van Israëls inlichtingendienst, dan is Caesarea het heilige der heilige’. Maar ook onder Dagan maakte de Mossad fouten. Zo werd in 2010 ene Mahmoud Al-Mabhouh een wapensmokkelaar uit Gaza die onder andere twee liftende Israëlische soldaten had vermoord, hun lijken schond en daar foto’s van rondstuurde, omgebracht in Dubai. In de nasleep van die executie zaten zoveel fouten dat nogal wat Westerse geheime diensten gingen twijfelen aan het nut van hun Mossad-contacten. De dienst was het aureool van onaantastbaarheid lange tijd kwijt.

Dit boek leverde schrijver Bergman nogal wat wat vijanden op. Velen in Israël zagen en zien hem als een verrader. Niettemin is zijn van de Mossad-methoden niet het meest interessante aan dit boek. Dat is Bergmans’ kritiek dat het land te véél geleund heeft op de zekerheid die executies opleverden, zonder dat er werd nagedacht over de politieke en strategische gevolgen ervan. Elke executie is immers een tijdelijke oplossing, zolang er steeds weer nieuwe terroristen opstaan. Zo betoogt Bergman dat bijvoorbeeld de moord op Khalil al-Wazir, bekend als Abu Jihad, in 1988 de meer radicale fracties binnen de Palestijnen naar voren schoof en een politieke oplossing verder uit beeld duwde. Het bleek moeilijk, schrijft Bergman cynisch, ‘de geschiedenis te voorspellen nadat iemand in het hoofd is geschoten’.
Dat maakt de beschreven fouten van de Mossad leerzamer dan dan de stoere, gelukte operaties. Bergman beschrijft bijna hilarisch enkele mislukte operaties: een met boobytraps beladen hond die simpelweg wegliep en door de Hezbollah werd aangehouden, of het stompzinnige plan een Palestijnse gevangene te hypnotiseren om iemand te vermoorden – waarna die uiteraard meteen na vrijlating meldde bij de Palestijnse politie dat hij gehersenspoeld was. Ook wijlen Ariël Sharon en diens fixatie op het vermoorden van Yasser Arafat komen aan de orde. Bergman noemt Sjaron ‘een pyromaan’, die om Arafat dood te krijgen bijna een vliegtuig met 30 gewonde Palestijnse kinderen had laten neerschieten – een regelrechte oorlogsmisdaad.
Volgens Bergman is de executie door de Mossad haast routine geworden, en dáárin schuilt volgens hem het gevaar. Moord wordt te gemakkelijk, uitgebreide fysieke voorbereiding steeds minder nodig in het digitale tijdperk, en de dagtaak van een geheime dienst ‘de banaliteit van het kwaad’, zoals de baas van de binnenlandse veiligheidsdienst Shin Beth, Ami Ayalon, zijn zusterorganisatie omschrijft.

Maar het moet gezegd; in Israël wordt tenminste nog nagedacht over de ethiek van een executie. Bij de buren die desnoods burgers beladen met bommen of het dak op sturen als levend schild is daar geen sprake van. De vijanden van de Joodse staat doen niet aan ethische dilemma’s. Niettemin krijgt meestal de Mossad van élk ingewikkeld sterfgeval de schuld. Waarbij de onderhuidse bedoeling duidelijk is: de Joden zitten er weer achter. En als het niet meteen de Mossad is, dan wel de door hen geleide ‘Illuminati’ of zo. Of zouden de Rotschilds ook al lid geweest zijn van de Mossad?



 

Voer uw zoekopdracht in en druk op enter

X