Wat stilte met zich meedraagt – Judith Zilversmit
In de Nieuwe Kerk in Amsterdam sprak AT5-hoofdredacteur en Jonet-columnist Judith Zilversmit de 4 mei-voordracht 2026 uit. Haar verhaal is hier te lezen. Haar voordracht vond plaats voorafgaand aan de Nationale Dodenherdenking op de Dam en in het bijzijn van koning Willem-Alexander. Zilversmit: ‘Geschiedenis is nooit afgesloten’.
Op 4 mei, richting acht uur, liep ik als klein meisje met mijn ouders, broer en zus naar het Verzetsmonument op de Apollolaan, hier in Amsterdam. Het was een vaste gewoonte. Je was daar, je zweeg, je herdacht. Ik stelde geen vragen. En altijd hing er die dag iets onbenoembaars in de lucht. Het verleden zat in ons gezin. Als kind voel je dat feilloos aan. Mijn vader, Hans Zilversmit, overleefde de oorlog na jaren van onderduik.
Tijdens de twee minuten stilte probeerde ik krampachtig te bedenken wat er door mijn hoofd moest gaan. Wat hoorde je te denken? Aan wie? Wat was genoeg? Vaak dwaalde ik af. Want hoe doe je dat, als iets tegelijk zo dichtbij en zo groot is?
Voor mijn dertigste verjaardag vroeg ik mijn vader zijn levensverhaal op te schrijven. Ik kreeg een bordeauxrood mapje, gevuld met losse velletjes. Een zorgvuldig document, een poging vast te leggen wat niet vergeten mocht worden. Daarin beschrijft hij hoe de oorlog en de bezetting het dagelijks leven binnendrongen:
‘Na 10 mei 1940 veranderde er veel in ons leven. De anti-Joodse maatregelen werden mondjesmaat ingevoerd. Zo werden Joden op een geniepige manier steeds verder afgezonderd van de samenleving’.
Hij beschrijft hoe het gezin in 1933 vanuit Duitsland naar Nederland vluchtte, hoe de deportatie op gang kwam en de vele onderduikadressen waar hij terechtkwam na te zijn verraden. Over die periode noteert hij: ‘Wat ik me van de onderduikperiode herinner is voornamelijk de angst om gepakt te worden, en dat gevoel is me tot de dag van vandaag bijgebleven’.
Het meest traumatisch was de inval van de Gestapo, na verraad, op het onderduikadres in Luik. Mijn oma duwde haar kinderen door een dakraam. Mijn vader sprong acht meter naar beneden. Zijn moeder liet zich vallen in de elektriciteitskabels, waardoor de straat plots in het donker lag. Zij werd gered door de buren.
Mijn vader wist te ontsnappen en zwierf als veertienjarige maandenlang door de buurten. Zijn zus brak haar rug, werd opgepakt en naar Auschwitz gedeporteerd. Dit waren geen verhalen uit een geschiedenisboek. Dit was mijn familie.
Lange tijd dacht ik dat ik die geschiedenis wel kende. Mijn vader sprak vaak over de oorlog. Ik wist dat veel familieleden waren vermoord, niet waren teruggekeerd. Ik dacht dat dit weten genoeg was. Totdat ik tweeënhalf jaar geleden een bericht kreeg via Instagram. Van de kleindochter van de vrouw die mijn vader in Luik had verraden.
Ik legde het maanden weg. Maar het liet me niet los. Ik besloot opnieuw naar mijn familiegeschiedenis te kijken. Omdat ik minder wist dan ik zou kunnen weten.
Tijdens die zoektocht maakte ik de podcast Het verraad van de familie Zilversmit. Ik sprak onderzoekers, specialisten en vond dozen vol documenten in de kelder van mijn ouderlijk huis. Brieven. Formulieren. Inboedellijsten. Liro-lijsten. Lijsten van bewaarders. Verzoeken om naar de VS te emigreren, allemaal vergeefs.
Ineens werd de oorlog concreet tot in detail.
Een paar voorbeelden. Een betalingsbewijs: één gulden per persoon voor het registreren van een ‘J’ in het bevolkingsregister. Mijn familie betaalde zelf voor het stempel dat hen tot doelwit maakte. Stapels brieven uit 1933 van mijn grootvader, waarin hij protesteerde tegen zijn ontslag bij de Dresdnerbank, puur omdat hij Joods was.
Ook na de bevrijding was het niet voorbij. Als Joodse vluchteling moest mijn opa bewijzen dat hij geen ‘foute Duitser’ was. Ik las een rapport over hem, opgesteld door de chef van de Vreemdelingendienst: ‘Hoewel er niets te zijnen nadele bekend is, is Zilversmit in zijn optreden erg onsympathiek’. En daarachter, tussen haakjes en met een uitroepteken: ‘Rasechte Jood!’ Voor deze ‘no enemy verklaring’ kreeg hij een rekening.
Wat me het meest trof: de vanzelfsprekendheid. Niet één groot moment, maar een opeenstapeling van kleine stappen. Regeltjes. Formulieren. Mensen die uitvoeren, meebewegen, wegkijken. Bijna onopgemerkt wordt het onacceptabele geaccepteerd. En dat laat me niet los, juist ook vandaag.
Mijn verre neef, die ik tijdens mijn zoektocht vond, vertelde dat hij twee jaar geleden het naambordje ‘Zilversmit’ van zijn deur had gehaald. Uit angst. Ik dacht: je naam, dat is zo eigen. Hij had zijn naam, en dus ook de mijne, weggehaald. Ik kon dat niet begrijpen. Een deel van je identiteit verstoppen is onaanvaardbaar.
Maar ik kon het ook wél begrijpen.
Het aantal incidenten tegen Joodse individuen en instituten stapelt zich op. Discussies over het geweld in het Midden-Oosten lopen steeds vaker over in oordelen en gedrag tegenover Joden. Joods zijn wordt minder vrijblijvend.
Het zit in kleine dingen. In het afwegen of je vertelt over je Pesachviering als iemand vraagt hoe je weekend was. In het besef dat je iets liever niet zegt. Je ziet hoe snel iemand geen individu meer is, maar wordt gezien als vertegenwoordiger van een groep.
Ik ken genoeg mensen die hun davidster niet meer dragen. Een goede vriendin haalde haar mezoeza van de deur. Ik keek haar aan en zei: als je hem weer ophangt, noem ik dat hier. Ook online zie je hoe grenzen verschuiven. Onder berichten over herdenkingen of interviews met Joodse jongeren verschijnen reacties waarin de Holocaust wordt gebagatelliseerd. Waarin wordt gezegd dat het spijtig is dat de Duitsers hun taak niet hebben afgemaakt. En erger.
Vaak krijg ik het gevoel dat hier weinig tegen wordt gedaan en dat het wordt gerelativeerd. Grenzen vervagen. Documentaires, kunstenaars, en dj’s worden geweigerd. Lezingen en theatershows worden afgezegd. En als ze wél doorgaan, is dat onder strenge beveiliging, iets waar we al jaren niet meer van opkijken.
Wat niet normaal is, wordt genormaliseerd. Misschien nog verontrustender: ik kijk er zelf niet meer van op.
Ik wil af van die gelatenheid. Bij mezelf, maar ook bij anderen. Recent las ik voorstellen om het Joods leven meer zichtbaar te maken: meer educatie en cultuur. Maar hoe doe je dat, als die ruimte er niet vanzelfsprekend is? Als zichtbaarheid juist risico met zich meebrengt?
Wat verdwijnt, komt niet vanzelf terug. Juist daarom vraagt het iets van ons allemaal. Het vraagt verbondenheid, van iedereen, Joods en niet-Joods. Om ruimte te maken. Zodat Joods leven niet alleen wordt herdacht, maar ook weer aanwezig is.
Onlangs was hier, waar we nu staan, de tentoonstelling ‘Mokum, Biografie van Joods Amsterdam’. Voor een video die daar te zien was, interviewde ik Joodse Amsterdammers. Eén van hen zei: “Soms voel ik me niet meer thuis in mijn eigen stad, terwijl het juist zo mijn stad is.”
Even verderop hingen banieren met Jiddische woorden: bajes, kapsones, gabber. Achter me hoorde ik: “Hé, ik gebruik ze bijna allemaal.” We moesten lachen. Woorden die laten zien hoe verweven Joods leven is met het nu. Dat gaf me hoop.
Die hoop voelde ik ook toen ik mijn verre neef sprak: “Het naambordje hangt weer, hoor Judith!” En mijn vriendin? Ze appte een foto: een houten mezoeza. Met daarbij de tekst: ‘Hij zit weer op z’n vertrouwde plek’. Na mijn podcast kreeg ik reacties uit allerlei hoeken. Mensen herkenden zich, of voelden mee. Anderen schreven dat er thuis jarenlang was gezwegen, maar dat er nu vragen werden gesteld. Kinderen en kleinkinderen kijken opnieuw naar hun verleden.
Geschiedenis is nooit afgesloten.
Herdenken blijft belangrijk. Niet alleen als collectief ritueel naar het verleden, maar ook als een moment dat ons dwingt het heden te voelen en naar de toekomst te kijken. Om ons in elkaars verhalen te verdiepen, te verplaatsen. Te luisteren.
Misschien is dat wat ik als kind al voelde op de Apollolaan, zonder het te kunnen benoemen: dat stilte niet leeg is. Dat stilte gevuld is met namen, met verhalen, met verantwoordelijkheid. Soms vraag ik me af wat mijn vader zou zeggen als hij naar deze tijd zou kijken. Ik denk dat hij zich zorgen zou maken. Maar ik denk ook dat hij zou
zeggen: blijf mild.
Wanneer het zo acht uur is, weet ik aan wie ik denk. Ik denk aan mijn familie. Aan oom David en tante Dina. Aan tante Adele, haar man Richard en hun dochter Marga, vermoord in Auschwitz.
Maar ook aan degenen die overleefden: mijn oma Therese en opa Max, mijn tante Helga en mijn vader Hans. Aan hun kracht om opnieuw te beginnen en het leven weer te vieren.
Door hun namen te noemen, zijn zij weer dichtbij. En door hun namen te noemen, blijven zij bestaan.
Nu en in de toekomst.
Waardeert u dit artikel?
Doneer hier dan een klein bedrag. Jonet.nl is een journalistiek platform dat zonder giften niet kan bestaan. Wij danken u bij voorbaat.
Wil je meer informatie of een hoger bedrag doneren? Ga naar jonet.nl/doneren




