Dé online community van Joods Nederland. 11 Heshvan 5779 · 20 oktober 2018
 

Swipe voor meer nieuwsberichten
Zo Joods is ‘2001: A Space Odyssey’

‘2001: A Space Odyssey’, het meesterwerk van Stanley Kubrick, is deze maand precies vijftig jaar oud. Nathan Abrams, hoogleraar Film Studies aan Bangor University en auteur van een biografie van Kubrick (Stanley Kubrick: New York Jewish Intellectual (Rutgers University Press, 2018), schreef een artikel over de Joodse wortels van deze film voor The Forward. Hieronder een iets ingekorte versie.

‘2001: A Space Oddyssey’ was niet alleen een radicale vernieuwing van de science fiction film, maar was geheel doordesemd met Joodse thema’s. De film werd uitgebracht door MGM, een filmstudio die in Hollywood bekend stond als ‘Mayer’s Gantze Mishpochah’.

Tijdens het maken van de film veranderde Kubrick zijn uiterlijk – gladgeschoren, zwart pak, das en wit T-shirt, het uniform van de Newyorkse intellectueel in de jaren 1950 – naar een wat ruigere versie. Hij liet zijn bekende baard staan, alsof hij de opdracht uit Wajikra (Leviticus) 19:27 uitvoerde: ‘Je zult de rand van jouw hoofdhaar niet afscheren, en je zult de rand van jouw baard niet afsnijden. Arthur C. Clarke, die samen met Kubrick het script schreef, zei dat Kubrick nu ‘het aura van een Talmoedgeleerde’ had en het uiterlijk van een ‘enigszins cynische rabbijn’.

Voor het ontwerp van HAL, de supercomputer die een centrale rol speelt in de film, raadpleegde Kubrick de moderne nakomelingen van de kabbalisten. AI (artificial intelligence) expert Marvin Minsky beweerde dat hij een afstammeling was van de beroemde Rabbijn Judah Loew (1525-1609), de Maharal van Praag die een beroemde kabbalist was en schepper van de Golem. Het behoeft geen betoog dat HAL een echte golem was.

Dit was misschien de reden dat Kubrick dacht aan een Joodse stem voor HAL. Hij dacht oorspronkelijk aan een stem die klonk als die van de bekende Amerikaans-Joodse komiek Jackie Mason. Kubrick maakte opnamen met de Joodse acteur Martin Balsam, maar gebruikte deze niet voor de film, want zijn stem klonk ‘te Amerikaans en veel te emotioneel’.

Het begin van de film verwijst duidelijk naar Bereesjiet (Genesis): uit het niets verschijnen de maan en de zon over de ronding van de aarde en op het vormloze en lege scherm verschijnen herkenbare objecten, een woestijnlandschap bevolkt door mensapen.

Kubrick heeft de toeschouwers met de titel ‘een ruimte-Odyssee’ misschien bewust misleid om te denken dat zijn film gewoon een allegorie wat voor de Odyssee van Homerus, maar dan in de ruimte. Maar het woord ‘ruimte’ is bewust tussen ‘een’ en ‘Odysee’ geplaatst en geeft aan dat het niet gaat om een eenduidige interpretatie van Homerus. Hoewel er elementen uit dit Griekse epos zijn overgenomen, overheersen die het Joodse karakter van de film niet.

Als je goed oplet, zie je dat Kubrick diep in Tenach en de Joodse geschiedenis is gedoken. De ‘Dawn of Man’ sequentie lijkt op het verhaal in Bereesjiet waar Adam en Eva van de verboden ‘boom van de kennis’ eten, waarna hun ogen worden geopend. Met andere woorden: zij leren om zelfstandig na te denken en kennis te verwerven. Maar ook het moment waarop een van de mensapen een bot oppakt en het bestudeert, is door filmwetenschappers gezien als een verwijzing naar Kain. De monolieten in de film worden wel vergeleken met de Stenen Tafelen, maar dan zonder woorden. Er zijn wel tien geboden, maar dan in de vorm van ingewikkelde en nogal intimiderende instructies die gepost zijn op de deur van een ‘Zero Gravity Toilet’ een echte Kubrick-grap. De manier waarop de mensapen om de monoliet dansen, doet denken aan de aanbidding van het gouden kalf; dat wordt nog versterkt door de onaardse en woordeloze koormuziek van de Hongaars-Joodse componist György Ligeti.

Het derde deel van de film heet ‘Jupiter Mission: 18 Months Later’. Het getal achttien is in het Hebreeuws de getalwaarde van het woord ‘chai’ (leven). Het stille gebed in de dagelijkse Joodse eredienst heet ‘Sj’monee Esree’ (‘het Achttiengebed’) omdat het uit achttien onderdelen bestaat. Het vierde en laatste deel van de film, ‘Jupiter and Beyond the Infinite’, roept het kabbalistische concept ‘Eén Sof’ (‘zonder einde’) op dat het allerhoogste, onkenbare niveau van goddelijkheid beschrijft.

Kubrick’s zwager en producer Jan Harlan zei dat hij Kubrick vertelde dat dit een ‘zeer Joodse film’ was: “Ik legde hem uit waarom ik dat vond. Het jodendom is een doorbraak in het denken; net als de ontdekking dat de aarde een bol is die rond de zon draait. Voor die tijd werd God weergegeven als de zon, bergen, dieren en fantasiefiguren. Maar deze God heeft geen naam, is eeuwig, de almachtige schepper van alles. Wat een doorbraak in het denken. Stanley had waardering voor mijn redenering.”



 

Voer uw zoekopdracht in en druk op enter

X