Dé online community van Joods Nederland. 27 AdarI 5777 · 25 maart 2017
 

Swipe voor meer nieuwsberichten
Jacobs’ Chanoeka-toer, dag 3 – Arnhem

‘Ik merk iets vreemds: vermoeid ga ik op weg en uitgerust kom ik terug. Ik was, na de late thuiskomst gisteravond uit Bourtange, vanochtend mijn bed niet uit te krijgen. Eindelijk in bed en nog geen uur later: telefoon! Wie belt er nou kwart voor twee ’s nachts, vroeg ik me af voordat ik de telefoon opnam. ”Waarom hebt u mij nog niet gebeld? U zou toch maandag mij bellen!”. De beller had gelijk. Ik had beloofd om hem maandagochtend te bellen, maar het was pas anderhalf uur maandagochtend!

Gisteren kreeg ik een noodkreet uit Israël via de e-mail. Een mevrouw die daar woont, had een kennis in Nederland die ernstig ziek is. De man is moederziel alleen, niemand bekommert zich om hem, hij gaat dood. En dus klom ik in de telefoon. Probeerde de eenzame, zieke en zielige man te bereiken, maar kreeg geen gehoor. Ik sprak in bij de onbekende op zijn antwoordapparaat dat ik hem maandagochtend zal bellen en liet netjes mijn telefoonnummer achter. En dus belde hij mij op, midden in de nacht met de vraag of ik even kon langskomen…. en toen had ik dus een probleem. De man klonk ziek, maar ook dwangmatig. En wat kon ik helpen? “Je moet grenzen aangeven, ook aan jezelf denken,” zijn van die goedbedoelde adviezen waarvan mijn verstand een andere mening heeft dan mijn gevoel. En dus zoek ik nu naar een gaatje in mijn Chanoeka agenda wanneer ik de man kan bezoeken. Volgens de bezorgde mevrouw uit Israël woont hij een half uurtje van mijn huis. Waarschijnlijk heeft zij een andere plattegrond van Nederland dan ik. Want mijn routeplanner spreekt over meer dan twee uur!

En daarom begon ik deze derde Chanoeka-dag niet helemaal fris en uitgeslapen. Ik sprong mijn auto in op weg naar Almere voor de ochtenddienst. Gelukkig dik minjan. Weer naar huis en koffers pakken. Want we verhuisden voor de rest van de week. Een Hotel in Beekbergen dat onder mijn Rabbinale Toezicht de rest van de Chanoeka-week kosjer draait, en van waaruit ik verder het menora land ga bestrijken. Arnhem was aan de beurt. Om drie uur was het al flink vol in de prachtige sjoel van de Gelderse hoofdstad. Meer dan honderd mensen waren gekomen voor het geweldige Chanoeka-buffet: boerenkool, stamppot en hutspot met worst. En vooraf soefganiot. Joods-Nederlandser kon het bijna niet. En de sfeer was geweldig. Ma’oz Tsoer, mijn toespraak, de gezelligheid, het samen-zijn, muziek en zelfs bij het ontsteken van de menora voor de sjoel een spontaan gedans.

En toen bijna iedereen naar huis ging en er nog even werd nagepraat met koffie, thee en weer die soefganiot; herkende ik een mevrouw die ik ook sjabbat jongstleden in Almere had gezien. Toen ze daar hoorde dat ik maandagavond in Arnhem zou zijn, liet ze weten daar een kennis te hebben en met hem dan ook naar sjoel te willen komen – als het tenminste mocht. En natuurlijk mocht dat. En dus trof ik haar bij het derde lichtje in Arnhem, met haar kennis. De vriend was een Joodse ingezetene. “Dertig jaar geleden was ik voor het laatst in sjoel,” vertelde hij mij, “en weet u, dat wij familie van elkaar zijn?” En zo heb ik een ver familielid van de kant van mijn oma gevonden. Maar hoe ver een familielid ook familie moge zijn, wij Joden koesteren dat, al ware het alleen al omdat familieleden bij ons helaas zeldzaam zijn.

Begrijpt u nu waarom ik me, juist aan het eind van zo een prachtige, rijke Chanoeka-dag, helemaal uitgerust voel? Je hoort vaak zeggen dat rabbijn geen baan is voor een nette Joodse jongen. Ik kan me hierbij iets voorstellen. Het is niet altijd even gezellig. Maar toch ben ik innig dankbaar en gelukkig om me te mogen inzetten voor onze gemeenschap en in de duisternis licht te mogen brengen. En of die duisternis een individu betreft, een Joodse Gemeente of onze brede samenleving, is mij om het even, als het maar licht is.’



 

Voer uw zoekopdracht in en druk op enter

X